Educatief videomateriaal beoordelen

1.0 - Educatief videomateriaal beoordelen

De focus van dit rapport ligt op voorlichting voor de jeugd. We kunnen de rol van de media – en met name de rol van NOS en NTR – hierin niet negeren, om twee redenen. Ten eerste omdat educatief videomateriaal over het conflict rondom Israël geproduceerd is door, of in samenwerking met, genoemde media. En ten tweede omdat de nieuwe Code Journalistiek Handelen voor de NPO (geldig vanaf juli 2023) gewijzigd is, zodat nu ook educatieve content onder deze code valt.

In dit hoofdstuk gaan we nader in op de kwetsbaarheid van jongeren voor onjuiste voorlichting, en het al eerder door het CIDI geconstateerde verband tussen onrust in het Midden-Oosten en de toename van antisemitisme onder jongeren in Nederland. Aan de hand daarvan bespreken we de onwenselijkheid van het combineren van media en educatie onder één code. Dit laatste doen we in het kader van bestaande regelgeving en uitlatingen van de NPO Ombudsman over dit onderwerp.

1.1 – Doelgroep

Jongeren zijn kwetsbaar voor beïnvloeding door media, wat onderkend wordt door de overheid. Vandaar dat er initiatieven zijn om jongeren mediawijs te maken. De vraag of deze beïnvloeding groeiend antisemitisme in Nederland in de hand werkt, verdient hierbij speciale aandacht.

1.1.1 - Kwetsbaarheid jongeren

Jonge kinderen zijn volledig afhankelijk van ouders en opvoeders, en die afhankelijkheid neemt geleidelijk
af. Tegelijkertijd neemt de invloed van de wijdere omgeving toe, waarbij vooral school en (sociale) media een grote rol spelen. Intussen groeit de capaciteit van het jonge brein om met al die invloeden om te gaan, maar die ontwikkeling verloopt niet evenwichtig. Het ‘emotionele’ deel van de hersenen maakt na het begin van de puberteit een stormachtige ontwikkeling door en wordt dominanter, ook onder invloed van de golf van geslachtshormonen die in deze periode loskomt.

Dat wil niet zeggen dat jongeren elke rationaliteit verliezen, maar wel dat ze gevoeliger zijn voor angst, en een sterke behoefte hebben om geaccepteerd te worden in de groepen waarin ze zich bewegen. Groepsdenken ligt op de loer, juist ook omdat de ontwikkeling van het vermogen tot logisch redeneren achterblijft bij de groeiende gevoeligheid voor emotionele impulsen. Dit alles maakt jongeren kwetsbaar voor beïnvloeding, zoals onderzoek en experimenten door de jaren heen hebben aangetoond. Volgens de laatste inzichten is de rijping van het brein pas ruim na het twintigste jaar voltooid.

Kwetsbare jeugdKinder- en jeugdpsycholoog Nofar van Frank“Vanuit een psychologisch oogpunt is de adolescentie een cruciale fase in de ontwikkeling van de persoonlijke en sociale identiteit. Tieners zijn op zoek naar hun plek in de wereld, en tijdens dit proces worden ze sterk beïnvloed door hun leeftijdsgenoten, sociale media en de nieuwsvoorziening. Deze bronnen worden vaak belangrijker dan ouders of leraren als het gaat om het verkrijgen van informatie. Juist daarom is het belangrijk dat de informatie waaraan jongeren worden blootgesteld evenwichtig, feitelijk en niet eenzijdig is. Onze rol als professionals, ouders en opvoeders is niet om kant-en-klare antwoorden te geven, maar om hen kritisch te leren denken. Het is belangrijk om jongeren aan te moedigen vragen te stellen, bronnen te controleren en zich bewust te zijn van de emotionele en sociale impact van de content die zij consumeren.

Het doel is niet om hen af te schermen van de digitale wereld, maar om hen te versterken zodat zij bewuste en verantwoordelijke mediagebruikers worden – een belangrijke stap op weg naar een gezonde en evenwichtige volwassenheid.”

Het Nederlands Instituut voor de Classificatie van Audiovisuele Media (NICAM) schrijft: “De mate van beïnvloedbaarheid van jongeren hangt samen met de ontwikkelingsfase waarin zij zich bevinden. In de vroege puberteit zijn jongeren vatbaarder voor sociale beïnvloeding, dan jongeren in de late adolescentie. Daarnaast zijn jongeren in de vroege puberteit nog impulsief en vertonen zij sneller risicogedrag dan andere leeftijdsgroepen.”5

Natuurlijk zijn niet alle jongeren even kwetsbaar. Aanleg, opvoeding en onderwijs spelen een grote rol. Nofar van Frank: “Jongeren zijn in zekere mate kwetsbaar en beïnvloedbaar, maar dat is slechts een deel van het verhaal. Juist in de bovenbouw kunnen jongeren leren om kritisch te denken, te argumenteren en zich in anderen te verplaatsen. Daarom is het niet terecht om te concluderen dat zij kritiekloos met nieuws omgaan, zolang er nog geen gerichte aandacht is voor hoe zij informatie bewust verwerken.
Jongeren moeten leren om kritisch om te gaan met álle bronnen – ook die als betrouwbaar worden beschouwd. Mediawijsheid moet verder gaan dan enkel waarschuwen voor desinformatie op sociale media; het draait om het bewust en kritisch analyseren van informatie in bredere zin.”

1.1.2 - Mediawijsheid

Die laatste opmerking is belangrijk. Want hoe werkt het in de Nederlandse praktijk? Er zijn inderdaad campagnes om jongeren mediawijs te maken, maar vaak gaat hierbij de aandacht alleen uit naar desinformatie op internet. Campagnes voor mediawijsheid bevelen dan ook conventionele media aan als betrouwbare bron.

In een artikel over nepnieuws geeft Netwerk Mediawijsheid tips hoe jongeren kunnen checken of iets geen nepnieuws is, en legt uit wanneer een bron betrouwbaar is. Bij de checklist nepnieuws staat: “Bekende landelijke of regionale nieuwsmedia controleren hun nieuws. Professionele nieuwsmedia houden zich doorgaans aan de journalistieke regels en controleren gebruikte bronnen. Zij zijn daarop aanspreekbaar, hebben redactiestatuten en veel nieuwstitels zijn aangesloten bij de Raad van de Journalistiek.

Jongeren die de raad van dergelijke overheidscampagnes en van hun docenten ter harte nemen, zullen eventuele onjuiste informatie die zij op internet tegenkomen dus checken bij de aanbevolen media. Uit onderzoek (12) blijkt dat velen dit ook doen. Maar wat als deze jongeren bijvoorbeeld bij het populaire Cestmocro dergelijke informatie vinden en die vervolgens keurig gaan checken bij de educatieve kanalen?

In de hoofdstukken 2, 3 en 4 van dit rapport volgen besprekingen van informatie over Israël die speciaal gericht is op de jeugd; vrijwel al deze content is gemaakt na 7 oktober 2023. De conclusies in deze hoofdstukken zijn zeer grondig onderbouwd met analyses in de bijlagen waar veelvuldig naar verwezen zal worden. Het blijkt dat dit materiaal – jeugdjournaals, School TV, NPO-kennisfilmpjes, NOS op 3, NOS Stories – regelmatig onjuiste informatie bevat en niet zelden informatie weglaat die essentieel is voor een volledig begrip van de situatie. Wat resulteert is een uitleg die structureel het perspectief van Israël veronachtzaamt.

Aangezien de informatie bij internetbronnen als Cestmocro al sterk anti-Israël is, zal de combinatie van die internetbronnen met deze berichtgeving in betrouwbaar geachte media de beeldvorming over Israël bij jongeren negatief beïnvloeden. Er ontstaat een dominant narratief waarin de daden van Israël slechts verklaard kunnen worden uit kwalijke motieven. En helaas stellen velen Nederlandse Joden aansprakelijk voor de vermeende kwaadaardigheid van Israël.

1.1.3 - Verband antisemitisme en Israël

Het gaat te ver om te stellen dat er een direct verband is tussen de informatie die de jeugd krijgt over Israël en het toenemende antisemitisme – daarvoor zou verder onderzoek nodig zijn – maar er is duidelijk een link tussen onrust rond Israël en antisemitisme in Nederland. Dit blijkt ook uit de verslaggeving van het CIDI over stijgingen en dalingen van antisemitisme door de jaren heen. Zo schreef het CIDI al in 2015: “Het is een bekend verschijnsel dat antisemitische gedragingen en uitingen toenemen bij grote militaire acties van Israël. (…) Het CIDI acht het zeer zorgwekkend dat juist op scholen, waar burgerschap, democratie en respect dienen te worden onderwezen, veel incidenten werden gemeld.” Hierboven ziet u een grafiek van antisemitische incidenten in Nederland sinds 2010, met duidelijke pieken in 2014 (Israëlische Operation Protective Edge), 2019 (UNHRC-rapport over Israëlische reactie op de March of Return) en 2021 (conflict Sheikh Jarrah). Deze pieken vallen nog in het niet bij de piek van 2023 na het begin van de huidige oorlog, een piek die zich doorzette in 2024. Uit de incidenten die in de jaarlijkse overzichten  beschreven worden, blijkt hoe sterk dit verband is. Zoals gezegd, dit betekent dus niet dat er een oorzakelijk verband bewezen is tussen verslaggeving door conventionele media en de toename van antisemitisme in Nederland. Daarvoor zou nader onderzoek nodig zijn, ook omdat er veel meer factoren meespelen, zoals onderwijs, andere nieuwsbronnen in familie- en vriendenkring, en desinformatie op internet. Toch zou de combinatie van bovengenoemde trends mensen aan het denken moeten zetten. De pieken in het aantal antisemitische incidenten vallen te precies samen met periodes van onrust in het Midden-Oosten. En de op jongeren gerichte informatie over deze zaken vanuit de conventionele media is te duidelijk in het nadeel van Israël.

1.2 - Educatie is geen journalistiek

Dit rapport onderzoekt de kwaliteit van educatief videomateriaal over de conflicten rond Israël. Om die kwaliteit te kunnen onderzoeken, moet bepaald worden aan welke normen dit materiaal moet voldoen. En daar stuiten we meteen op een probleem. De NPO code en het hele stelsel van toezicht en afhankelijkheid van klachten zijn in wezen niet toepasbaar op de informatie voor basisschooljeugd en jongeren in het voortgezet onderwijs.

Zoals hierboven uiteen is gezet, zijn de hersenen van jongeren nog niet volledig gerijpt. Bovendien hebben kinderen en adolescenten nog niet de achtergrondkennis om te kunnen beoordelen of de informatie die zij ontvangen correct is. Zij zijn afhankelijk van ouders, leerkrachten en andere opvoeders om hun wereldbeeld te vormen, en dat wereldbeeld blijft vaak hun verdere leven bepalend.

Daarom is juist voor deze doelgroep belangrijk dat informatie behalve waarheidsgetrouw ook volledig is. Zoals in de oude Journalistieke Code van de NPO (2016) stond: “berichtgeving is gebalanceerd en vertegenwoordigt verschillende visies.” In de nieuwe code (2023) is zelfs deze norm verdwenen, maar ook de oude code was in wezen niet afgestemd op informatie voor de jeugd.

1.2.1 - Ombudsman over educatieve content

Margo Smit, de NPO Ombudsman, schreef op 23 december 2022 – toen de oude code nog geldig was – het artikel ‘Klachten over School TV wijzen op ombudsman in spagaat’. Citaat: “Gaat deze ombudsman ook over educatieve programma’s? De mediawet lijkt dat wel te zeggen. Maar de Journalistieke Code is er toch echt voor journalistiek handelen. En dus zit de ombudsman soms bij een klacht in een spagaat.man die elementen van educatie en journalistiek balanceert

De Ombudsman nam de moeite om uit te leggen dat richtlijnen voor journalistiek niet zonder meer van toepassing zijn op educatieve programma’s. Citaat: “Voor een educatief programma gelden andere doelen, richtlijnen en vormtechnische mogelijkheden dan voor journalistiek (en voor een docudrama al helemaal). Dit ondanks dat enkele van de onderliggende waarden bij informatieoverdracht – een belangrijk kenmerk van educatieve programmering – bijna identiek geformuleerd zijn aan de onderliggende waarden van de journalistiek. Waarden als feitelijk zijn, onafhankelijk, betrouwbaar (zie het zogenoemde NPO Genrebeleidsplan Kennis en Educatie). Mogelijk heeft die overeenkomst in geformuleerde waarden gezorgd voor opname van ‘educatie’ in het mandaat van de ombudsman in de Mediawet. Maar dat maakt de genres nog niet gelijk aan elkaar, en de richtlijnen voor de een dus niet zonder meer van toepassing op de ander.

Haar conclusie was: “Voor het journalistieke domein is de Journalistieke Code mijn bruikbare hamer en schroevendraaier. Maar voor het educatieve domein moeten we mogelijk terug naar de winkel voor heel ander gereedschap. Educatie is geen journalistiek.” Hier maakte de Ombudsman een goed punt: educatie is inderdaad een heel ander domein dan journalistiek, al zijn er zaken die overlappen.

1.2.2 - "En educatie"

Des te verrassender is het dan ook dat per 1 juli 2023 de Code Journalistiek Handelen ineens officieel toepasbaar werd op educatieve content door de simpele toevoeging van de woordjes “en educatie”. In de nieuwe code staat: “De landelijke publieke media-instellingen verzorgen dagelijks media-aanbod met onder meer nieuws en informatie- en educatie zodat…” en: “Deze code geldt voor journalistiek handelen verricht voor de landelijke publieke media-instellingen (hierna: omroepen) bij het verzorgen van producties voor de diverse aanbod-kanalen van de NO op het gebied van nieuws, informatie en educatie.” Deze toevoeging – zonder dat de code is afgestemd op educatieve content – is duidelijk in tegenspraak met wat de Ombudsman  eerder schreef.

Presentatie over journalistiek en educatie

Op zich is het wel begrijpelijk dat de samenstellers van de Code Journalistiek Handelen aanleiding zagen om deze code ook van toepassing te verklaren op educatieve content. In de Mediawet is een hoofdstuk gewijd aan de bescherming van jeugdigen waarin onder andere opmerkingen staan over media-aanbod dat “schade kan toebrengen aan de lichamelijke, geestelijke of morele ontwikkeling van personen jonger dan zestien jaar”. Hiermee maakt de wetgever duidelijk dat media een verantwoordelijkheid hebben voor de morele ontwikkeling van de jeugd. Dat neemt niet weg dat ook in de Mediawet niets staat over schade aan de morele ontwikkeling van jeugdigen door het aanwakkeren van vooroordelen. Het hoofdstuk gaat vooral over schade door nodeloos geweld en pornografie.

Interessant is dat de Ombudsman verwees naar het NPO Genrebeleidsplan Kennis & Educatie. Hierin vinden we een paragraaf over kernwaarden. Citaat uit deze paragraaf: “In een wereld waar de herkomst en correctheid van informatie soms lastig te controleren is, wil de publieke omroep een baken zijn van onafhankelijk en betrouwbaar aanbod.” En even verderop: “Daar waar onzekerheid is over de juistheid van informatie wordt dit expliciet vermeld.” Met name dat laatste zou heel nuttig kunnen zijn, juist voor educatief materiaal over conflicten waarin propaganda een grote rol speelt.

Verder staat in het NPO genrebeleidsplan kennis & educatie onder andere: “Het genre kennis & educatie behandelt onderwerpen op een manier dat ze niet gekoppeld worden aan de nieuwsfeiten van de dag en worden daarmee binnen dit genre ‘tijdlozer’ ingevuld. (anders valt het binnen het subgenre Actualiteiten, onderdeel van het genre Journalistiek).” Ondanks deze laatste bepaling zien we dat filmpjes over de actualiteit – zoals het inmiddels achterhaalde NOS op 3-filmpje Hoe Gaza sterft van de honger – jarenlang online blijven staan, terugkomen bij School TV, en vervolgens nog lange tijd onderdeel kunnen blijven van de lesstof. Bij dergelijke filmpjes dienen de feiten beter gecheckt te worden. En voordat ze onderdeel uit kunnen gaan maken van het lesmateriaal, zou er nog een extra check moeten volgen door neutrale deskundigen en onderwijsprofessionals. Overigens blijkt in het NPO-beleidsplan (paragraaf 2.5) de ‘jongere doelgroep’ iedereen onder de vijftig jaar te zijn. Ook hier ontbreekt dus een heldere visie op informatie voor de jeugd.

Vreemd genoeg ontbreekt die visie ook op een plek waar je die zeker zou verwachten, namelijk in het onderwijs. Navraag bij School TV (zie Bijlage 1) leerde dat het materiaal voor omzetting naar lesmateriaal niet meer door deskundigen beoordeeld wordt, terwijl de filmpjes vaak onderdeel zijn van leermethodes, zie onderstaande foto’s. Hoe goed hebben de samenstellers van deze methodes die video’s gecontroleerd? Video’s over de Tweede Wereldoorlog zijn vaak wel correct (voorbeeld). Maar met name filmpjes over de staat Israël vertonen vaak gebreken, wat ook geldt voor het filmpje van de tweede afbeelding.

De VO-raad (Vereniging van scholen in het voortgezet onderwijs) schreef in juni 2024 een manifest waarin gepleit werd voor beter toezicht op de kwaliteit van leermiddelen. Naar aanleiding van een peiling onder ruim 2500 leraren, schoolleiders, schoolbestuurders en andere onderwijsprofessionals schreef de VO-raad: “Ruim driekwart is van mening dat leermiddelen pas de markt op mogen als zij voldoen aan de criteria uit het onderwijs. De initiatiefnemers pleiten voor het opstellen van kwaliteitscriteria door de onderwijsprofessionals.”

In april 2025 vergaderde de Tweede Kamer over de voorstellen van de VO-raad, en kort voor dat debat schreven twaalf onderwijsorganisaties een brief aan de Kamer waarin nogmaals gepleit werd voor betere kwaliteitseisen. Zowel bij de onderwijsorganisaties als in het parlement werd niet gesproken over videomateriaal van de NPO dat in de klas wordt ingezet. In het Kamerdebat werd verwezen naar een onderzoek uit oktober 2024 naar kwaliteitscriteria voor leermiddelen, en ook in dit onderzoek kwamen School TV en jeugdjournaals niet voor.

Waarschijnlijk gebruikt elke school deze educatieve content, maar uit niets valt op te maken dat er iemand kijkt naar de journalistieke en pedagogische kwaliteit. School TV schreef ons dat ‘een docent zelf aan de slag moet’ met materiaal dat op School TV te vinden is. Nu zullen er vast wel leerkrachten zijn die zich verdiept hebben in de geschiedenis van het Midden-Oosten, maar verreweg de meeste docenten zullen hierover slechts oppervlakkige kennis bezitten. Vermoedelijk vertrouwen de scholen erop dat School TV en het Jeugdjournaal wel goede kwaliteit zullen leveren, terwijl School TV en de NPO er blijkbaar op vertrouwen dat de scholen zichzelf wel zullen redden. En intussen kijken Nederlandse leerlingen massaal naar videomateriaal dat – zoals hierboven al beschreven – regelmatig onjuiste informatie bevat en niet zelden informatie weglaat die essentieel is voor een volledig begrip van de situatie.

1.2.3 - Een betere code

Of de Mediawet nu tot inspiratie diende of niet, het zou goed zijn geweest als de samenstellers van de nieuwe Code Journalistiek Handelen die ‘en educatie’ hieraan toevoegden, aandacht hadden besteed aan de specifieke behoeften van deze doelgroep. Zowel bij de media, de politiek als het onderwijs schijnt er een blinde vlek te zijn voor het totale gebrek aan kwaliteitszorg als het om het in dit rapport besproken educatieve videomateriaal gaat. En dat terwijl er juist speciale aandacht zou moeten zijn voor informatie over onderwerpen waarover brede maatschappelijke discussie bestaat. Juist deze onderwerpen – zoals het Israëlisch-Palestijnse conflict – zouden met extra zorgvuldigheid behandeld moeten worden. In hoofdstuk 4 gaan we nader in op de voorwaarden waaraan een goede code voor educatieve video’s zou moeten voldoen.

1.3 - Werkwijze

Gezien de zorgwekkende toename van antisemitisme in Nederland – met name ook onder de jeugd – en het vermoedelijke verband van deze toename met de onrust rondom Israël, verdient de mogelijke invloed van eenzijdige informatie aandacht. Ideaal zou zijn om met kritische blik naar educatieve content te kunnen kijken binnen het kader van heldere regelgeving, maar aangezien die regelgeving blijkbaar ontbreekt, gebruiken we – om met de NPO Ombudsman te spreken – alternatief gereedschap.

Waar mogelijk is in dit rapport de content beoordeeld aan de hand van de Code Journalistiek Handelen (2023) die op veel onderdelen wel aangrijpingspunten biedt. Het eerste deel van hoofdstuk 2 gaat over deze beoordelingen. In het tweede deel van dit hoofdstuk gebruiken we punten uit de Journalistieke Code (2016) die niet meer in de nieuwe code opgenomen zijn, maar die juist belangrijk zijn als het gaat om educatieve content. Waar nodig verwijzen we naar andere journalistieke codes.

De hoofdstukken 3 en 4 gaan niet over schendingen van journalistieke codes, maar over gebreken in het materiaal vanuit onderwijskundig oogpunt. In hoofdstuk 3 gaan we in op het weglaten van relevante informatie. Dit is een probleem dat we vaak tegenkwamen in de analyses, en met name jongeren die nog geen achtergrondkennis bezitten, kunnen hierdoor makkelijk misleid worden. In hoofdstuk 4 bespreken we het gevaar van een dominant narratief. Omdat de informatie voor jongeren begrijpelijk moet zijn, ligt versimpeling op de loer. Daarnaast hebben kinderen vaak toch al de neiging in absolute termen te denken over schurken en helden. Educatieve content zou juist voor nuance moeten zorgen, en niet bij voorbaat al een zwartwit wereldbeeld aanreiken.